Een niet onaantrekkelijke dakloze jongedame

22 december 2007, 13:55

Herman liep met zijn nog ongevulde rugzak over het betongrauwe plein in het plaatselijke winkelcentrum. Met als eindbestemming de C1000, besloot hij toch maar even via de Albert Heijn te lopen, omdat daar op maandag altijd een voor de verandering eens niet onaantrekkelijke, schijnbaar dakloze, jongedame met haar daklozenkranten stond te leuren. Het ging Herman uiteraard niet om dat suffe krantje, met de ongeïnspireerde naam “Straatnieuws”, maar hij hoopte nog een aardige glimlach aan de verkoopster te kunnen ontlokken. Zo'n glimlach waar hij dan de rest van de dag weer energie uit kon putten.
Al van een afstandje had Herman haar zien staan, maar het viel hem meteen op dat er iets niet helemaal in de haak was deze keer. Haar kranten had ze verruild voor een bonte verzameling van schilderijen en tekeningen, die ze had uitgehangen aan een waslijn. Op de prentjes waren schrikwekkende taferelen vol doodshoofden, hellevuur, en duivelse poppetjes getekend. Een groot bord vermeldde: “Het einde van de wereld is nabij.” De vrouw zelf stond niet zoals gebruikelijk suf voor zich uit te kijken, maar liep met het vuur in haar ogen driftig te ijsberen temidden van haar koopwaar, alsof ze niet goed wist wat nu haar eerste prioriteit moest zijn: de mensen wijzen op het naderende einde, of toch haar afschrikwekkende doeken aan de man brengen.
Verlegen als altijd en lichtelijk in de war van deze plotselinge verandering ten opzichte van de normale loop der dingen, liep Herman stevig stappend door, in de richting van die andere, veel goedkopere supermarkt. Terwijl Herman daar brood, jam en een pak melk uitzocht, was hij in gedachten nog druk bezig met het vinden van een verklaring voor het vreemde gedrag van de dakloze, kansloze, maar intrigerende vrouw, die zich nog tot voor kort had beperkt tot het verkopen van een saaie krant, maar die nu ineens een belangrijke missie in haar leven bleek te hebben. Tijdens het uitzoeken van een fijne diepvriespizza, sloeg hem plotsling de angst om het hart. Wat nu als daadwerkelijk het einde van de wereld nabij zou zijn? Dan had hij zijn studie niet afgemaakt, dan had hij nooit een koopwoning gehad, nooit de rijke zegening van kinderen en kleinkinderen mogen ontvangen, en erger nog: hij had nooit een vrouw gehad om uit de grond van zijn hart van te kunnen houden. Het realiseren van dat laatste feit, deed hem tevens realiseren dat hij nog met zijn hoofd in de vrieskist hing, boven de Big American pizza's. De vegetarische variant was weer eens niet verkrijgbaar. En van al het mijmeren had hij nu ook nog een koude neus gekregen. Al snuitend in zijn katoenen zakdoek (die vrijdag maar weer eens in de was moest), trok Herman zijn koude hoofd terug uit het vriesvak, vast van plan om maar gauw naar de kassa te gaan en zich thuis dan maar te laven aan een warme kop koffie.
Aangekomen bij de kassa, terwijl hij de nodige tegenwoordigheid van geest terugkreeg, keek Herman - om te voorkomen dat hij later op de dag nog een keer terug moest voor eventuele vergeten boodschappen - nog even in zijn mandje: brood, jam en melk. Oh, nou was hij nog vergeten een pizza uit te zoeken. Stom! En zichzelf vervloekend liep hij zonder op of om te kijken terug naar het vriesvak, een plaats die natuulijk moeiteloos te bereiken zou zijn, ware het niet dat hij op zijn weg daar naartoe in botsing kwam met een vrouw in een roze jas. “Pardon,” mompelde Herman, maar de vrouw greep hem bij zijn armen en schreeuwde: “Ik hou van jou!” Herman, die absoluut niet wist wat hij met dergelijke woorden aan moest, stompte de vrouw in haar buik, waarop zij zelf reageerde met een knietje in Hermans tere kruis. “Verdomme, trut!” riep Herman, en hij duwde de vrouw op de grond. Zij trok hem echter mee in haar val, zodat ze beiden met een smak op de koude betegelde vloer terecht kwamen. Herman viel als laatste en kwam bovenop de vrouw terecht. De zwaartekracht was sterker dan de spieren in Hermans nek, waardoor zijn hoofd met een knal tegen dat van haar aan kwam. Lichtelijk van de kaart door dit natuurgeweld, kwam Herman langzaam weer bij krachten in een heerlijk zachte bos haar, donkerbruin en welriekend. De vrouw, van wie natuurlijk dit prachtige haar was, worstelde zich onder Herman vandaan en kroop bovenop hem, zodat de rollen nu omgedraaid waren. “Hé,” zei de vrouw. “Hé,” zei Herman. “Jij bent het!”
Plotseling werden al zijn vermoedens over deze merkwaardige vrouw die hij alleen van de straat kende, bevestigd. Haar schone, zoet geurende haar, de glanzend witte tanden, haar onbeschadigde lippen en veel te mooie kleding - zonder vlekken, puntgaaf. Alles werd hem nu duidelijk: deze vrouw is helemaal geen zwerver. “Ik hou ook van jou,” fluisterde Herman. “Voor altijd!” voegde hij er nadrukkelijk aan toe.
“Nee lieverd, voor zo lang als het duurt. De wereld bestaat niet zo lang meer, wist je dat niet?”

« Vorige

Volgende »