Fietsvakantie
10 augustus 2009, 01:53
We huilden en lachten om Forrest Gump. Allebei alleen en nu even samen. Forrest op een bankje, wij op twee stoelen. Een dekentje voor de warmte, een poes tegen de kou. Eerder die dag had ik me verheugd over de studenten in de stad, hun vertrouwde aanblik en ik groette mezelf: dag lieve Matthias. Het kronkelde op weg hier naartoe. Pauze in een maïsveld, waar ik mijn broek verwisselde, het gras en mos zacht in de palm van mijn voet. Het was te warm voor lange mouwen en lange pijpen. Een wit randje op mijn bovenarmen, maar nu waaide wind daar tenminste ook langs. De kilometers werden meteen minder lang en de herberg kwam in zicht. De eerste druppels vielen uit een blauwe lucht. Dikke druppels, die de kamer in rolden. Groene blaadjes op mijn vork en een plas water op het grote, diepe, witte bord. De koffie was bruine drab, het ontbijt onstuimig veel te veel. Ik propte mij vol, klaar voor de barre tocht. Gember-appel-rozijnen-jam-prut op een boterham, met een dikke plak kaas er bovenop. Croissantjes, zes stuks. Ik kroop op schoot bij de dikke eigenares en vroeg haar om te vertellen over haar jeugd. Ze fietste dagelijks naar Bommerpeel of Eigendam, of een ander dorp dat daar dichtbij lag. De knooppunten waren haar te nieuwerwets, zij fietste met een autokaart. Gasten vroeg ze altijd of ze ook een eitje lustten bij het ontbijt. En of die hard of zacht moest zijn, zag ze zelf wel, aan hun ogen.
Ik werd gek van mij, zag mezelf knikkebollen in het café, schuddebrullen in mijn slaap. Dacht mezelf alleen op een blok hout. Dobberde naar Zuidlaren, waar geen water bleek te zijn. In “Den Olden Kater” voelde ik me thuis. Men schonk er bier en bracht mij krant. Het meisje van de bediening stond op de voorpagina. Ze studeerde kennelijk Rechten, en ze zag er dommig uit. Ach, ze kon goed masseren, terwijl ik mij boog over mijn limonadeglas biologische port. Tezamen met de couscous, liet ik mij het leven even ontglijden. In de donkere tunnel die volgde, lag zoals gebruikelijk een enorme berg troep. Lege blikjes, doosjes, papieren McDonalds-zakken en ongebruikte, desondanks toch maar uit de verpakking gescheurde condooms.
Families met zwarte rokjes, hard fietsend, een donkere regenwolk in de rug. Geen onweer, maar het journaal viel daar uit. Onzin en gezeur, net als in de krant. Een enorme, gloednieuwe en wanstaltige kerk in Babbelveld, waar men geld steekt in ijdele hoop, in een machine die twijfel omzet in zekerheid.
Verslagen in het onbekende bed, een tweepersoonsbed, voor mijn hoofd en mijn hart. Warm onder de dekens, grote tranen en diepe wonden om hoe we elkaar ontmoeten en meteen weer moeten vergeten. Lichtjes in de stad, duister op het plafond. Rare blauwe kussens met wilde leuzen erop geborduurd. “De bom valt wanneer hij dat wil!” en “Beter half gevaren dan gevoelig voor kwartjes”. Bij het ontbijt word ik bestookt met vragen over waarom ik niet heel hard werk voor mijn geld, waarom ik elke dag pas om 11 uur opsta en ik maar één goede vriend heb. Waarom ik mijn oma nooit bel en zoveel kaas eet. Ik storm woedend op, en zeg dat ik ervoor betaal om met rust te worden gelaten. Ik druk met mijn armen op mijn buik om maar niks meer te voelen. Tussen mijn lippen geperst houd ik angstvallig een balpen vast.
In de kamer naast mij zit een jong stel met twee kleine dochtertjes. Ik vraag hun moeder of zij ook heeft gemerkt - ik wel namelijk - dat het tussen haar en haar man minder gaat, nu alle aandacht naar de kinderen gaat. Inderdaad, maar midden in de volle kamer zegt ze dat het haar niet uitmaakt en ze zet het “Mens erger je niet” spel klaar. Om de spanning van het moment niet onder ogen te hoeven zien, begin ik te friemelen aan het bosje bloemen dat op tafel staat, wrijf ik over mijn voorhoofd en sla ik mijn armen over elkaar.
“Koffie en melk staan daar,” zei het meisje van de bioscoop. “Suiker,” zei ik, en dat was waar. Gemoedelijk klokte ik de koffie achter mijn veilige krant naar binnen, gedwee volgde ik de bel die rinkelde en aangaf waar ik moest gaan zitten. Op de fiets was dat dus, “En nu maar goed kijken, hè?” Zeven dagen later viel ik er vanaf, en kwam terecht op het witte zand. Een lieve vriendin ving me op en goot Prosecco in mijn uitgedroogde keelgat. Vanaf dat moment kon ik alleen nog glimlachen: deze opdracht had ik in elk geval volbracht. Ik maakte de volgende envelop open bij een ondergaande zon. In mijn oude schommelstoel die daar ook ineens stond, las ik de korte notitie, kennelijk haastig opgeschreven: “Slaap lekker, vergeet niet wakker te worden. Kus!”