God sprak opnieuw, deze keer in een meer informele stijl
16 september 2007, 11:47
Ik werd wakker in een grote kerk. Om mij heen zaten zo’n honderd mensen in wiebelige houten stoeltjes. Voorin de kerk sprak een man vrome woorden in een microfoon, die geplaatst was onder een crucifix met een erg bleke Jezus. De man sprak over de Vredesweek, die veel mensen inmiddels waren vergeten, gezien het feit dat ze zo tevreden zijn en zich nergens meer echt voor inzetten. Slechts flarden waren verstaanbaar, de rest van zijn woorden vergalmde. Eén zin was in zijn geheel te ontwaren: “Als we werken aan vrede, werken we aan de heelheid van de schepping.” Speciaal deze zin zette mij aan het denken. Wat kon dat nu betekenen, de “heelheid van de schepping”? Het enige moment waarop de schepping tot nu toe “heel” was, was ten tijde van de Big Bang. Alleen toen was alle energie van het universum bij elkaar gebracht in een eenheid. Nu is alles zo ver uit elkaar geslingerd, dat de meeste ruimte wordt ingenomen door niets. Wil de beste man dit alles nu weer bij elkaar brengen? Maar nee, ik vatte het natuurlijk veel te letterlijk op. De christelijke taal is een taal vol symboliek (je weet daarom ook nooit waar het nu écht over gaat), dus moest ik het zoeken in een andere hoek. Misschien werd er bedoeld dat we als mensen moesten inzien dat we, ondanks al onze verschillen, toch behoren tot één en dezelfde schepping. Dit zou dan moeten leiden tot het inzicht dat ruzie en oorlog niet nodig zijn, dat we harmonieus naast elkaar moeten leven. Maar dan was het verlangen naar de heelheid van de schepping natuurlijk hopeloos naïef! Op zo’n manier wordt de schepping nooit heel. Goed, als iedereen dan écht zijn best zou doen daarvoor, dan werd het in elk geval op deze planeet nog wel wat, maar wat te denken van al die andere planeten waarop men dan nog altijd wél oorlog voert? Bij een eerste contact met een dergelijke beschaving zou alsnog spontaan oorlog uitbreken omdat de betreffende wezens zich door ons bedreigd voelen (of eerder nog: andersom!).
Goed, dus wat de spreker in kwestie ook bedoelde, het was waarschijnlijk niet erg serieus bedoeld en het kon zelfs feitelijk niks te betekenen hebben. Maar het waren zalvende woorden en de mensen om mij heen knikten instemmend naar elkaar: “Mooi gezegd!”
De man die had gesproken ging zitten, nadat hij nog had aangekondigd: “Jan Hage speelt op het orgel het stuk ‘Combat de la mort et de la vie’ van Olivier Messiaen.”
Na deze mededeling was het even stil. Niet lang echter, want een oorverdovende reeks orgelklanken klonk plotseling in de grote, galmende ruimte. De mensen keken verschrikt op en zeiden tegen elkaar “Nou, nou” en “Guttegut”. Terwijl het orgel allerlei helse klanken uitstootte, knipperden de mensen met hun ogen - niet bestand tegen zoveel wanstaltig geluid. In het tekstboekje was de heftige tekst te lezen, die de componist Messiaen bij het schrijven van dit stuk in gedachten had:
Dood en leven leveren een verbijsterend gevecht. De schepper van het leven is dood.
De schepper van de dood schreeuwt het uit: “Dood aan de laatste mens!”
Deze laatste kreet kon worden herkend in de muziek: alle registers werden opengetrokken en de laagste klanken van het orgel werden de ruimte in geperst. De diepte en rauwheid van deze klanken deed denken aan een brullend monster. Onze toch al wiebelige stoeltjes trilden door zoveel geluidsgeweld, maar het waren niet alleen de stoelen die trilden, ook de vloer schudde hevig. Er verschenen barsten in de plavuizen en de onderliggende grafkisten werden zichtbaar. De mensen sprongen op van hun stoel en renden in paniek naar plaatsen waar geen grafstenen lagen. Terwijl de orgelklanken vanuit de diepte plotseling weer de hoogte in gingen en zich nu ineens aan de andere kant van het klankspectrum bevonden, vlogen de grafkisten voor onze voeten open. Uit de gapende zwarte gaten spoot vuur en in het vuur kwamen kleine wezentjes tevoorschijn, met door zweet glanzende baardjes en kale koppen. Met een gemene lag op hun gezicht sprongen ze op uit de graven en klommen ze met kleine snelle bewegingen tegen de pilaren op. Daar sloegen ze met hun blote vuisten alle glas-in-loodramen kapot, trokken de armaturen uit het plafond en sprongen van pilaar naar pilaar weer naar de grond, waar ze een groep huilende en trillende kerkgangers aantroffen. Bang dat zij ook kort en klein zouden worden geslagen, vielen zij op hun knieën en vingen aan luid schreeuwend te bidden tot God, die hen dit nota bene in zijn eigen huis liet overkomen. Van achter het orgel was een hartverscheurende schreeuw te horen. Het orgelspel stopte abrupt, maar werd niet lang daarna overgenomen door de kleine bebaarde mannetjes. Zij vingen aan met een nog vreselijker muziekstuk op het orgel dat zij met 8 handen en voeten leken te bespelen.
Terwijl de duistere klanken aanzwollen, ontplofte het altaar voorin de kerk van binnenuit. Uit de krater die ontstaan was, klonk een zware stem: “Zie, de laatste mens! Haar tijd is voorbij. Millennia lang was zij de kroon op de schepping. Zij had de wijsheid in pacht en boekte vooruitgang na vooruitgang. Tot op zekere dag iemand zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Dit was het moment waarop men stopte met nadenken, waarop men zijn eigen plannen met het leven losliet en zelfs ophield met de wens om te leven. Immers: de waarheid was nu bekend, dus waarom nog verder zoeken? En de weg die je zelf zou kiezen, is een egoïstische weg, de weg van Jezus is de beste weg. En het leven; wat is nu het leven hier op aarde nog in vergelijking met wat ons hierna in de hemel te wachten staat?
Een grove fout! De schepper zelf gaf op dat moment zijn vertrouwen in de mensen op. Want wie in Jezus gelooft, gelooft niet langer in God.”
De geknield biddende mensen kwamen nu - nog altijd bevend van schrik - overeind. Ze hadden dit verhaal aangehoord en tegelijkertijd hadden ze ontwaard wie deze woorden had gesproken. Het feit dat deze stem uit de richting van het voormalige altaar kwam, was al een aanwijzing geweest, maar nu bleek dat degene die had gesproken een in stralend wit geklede, stokoude man met baard was, leek alle twijfel te mogen worden losgelaten: dit was God - in hoogsteigen persoon.
God sprak opnieuw, deze keer in een meer informele stijl: “Natuurlijk begrijp ik dat je niet van de ene op de andere dag intelligente mensen hebt, dus ik heb met veel geduld duizenden jaren gewacht tot het moment daar was, maar dat gedoe met die man uit Nazareth was in mijn ogen het begin van een neerwaartse ontwikkeling. De glorierijke geschiedenis van de rede was een aflopende zaak geworden. Helemaal schrok ik toen al die onzin over Jezus werd beschreven in de vorm van dogma’s, die nu plotseling ook nog echt waar zouden zijn. Jezus, een zoon van mij? Hoe komen ze erbij? Maria een maagd? Daar wil ik niet eens woorden aan vuil maken…
Tweeduizend jaar lang heb ik gewacht en gehoopt dat de mensen nog tot inzicht zouden komen. Maar helaas. Jullie zijn onverbeterlijk. Daarom nu, mijn laatste woorden aan de schepping, alvorens ik alles en iedereen vernietig: we hebben een leuke tijd gehad samen, maar nu ben ik het zat!”
Een witte flits, gevolgd door een doodse stilte. Ik doe mijn ogen open. Om mij heen staan honderd lege, wiebelige houten stoeltjes. Een prachtig sober kerkgebouw, geen enkel teken van opengebroken graven, gebroken ramen of een ontploft altaar. Ik stond enigszins trillend, maar toch met een gerust hart op en liep stilletjes de kerk uit, naar buiten, naar het zonovergoten Domplein, waar een aantal kinderen zat te knikkeren, waar vogeltjes zaten te fluiten in de takken van de hoge bomen en waar een groep studenten bij de fontein zat te praten over hun belevenissen van deze week. Bij de uitgang stond de man die had gesproken over de heelheid van de schepping. Hij boog naar mij toe en zei met een vriendelijke stem: “De vrede van Jezus zij met u.”