Ik had al lang dood moeten zijn

24 maart 2008, 13:39

Toen ik nog een hummeltje van 2 jaar was, kroop ik op een goede dag in mijn geboortehuis de houten zoldertrap op, achter mijn moeder aan, die daar op het zoldertje de was ging ophangen. Zij had helemaal niet door dat ik achter haar aan kroop, en liet het luik dat de bovenverdieping van de zolder scheidde, achter zich dicht vallen. Recht op mijn tere hoofdje dus, met als gevolg dat ik van de trap af stortte en met een dreun op de kleine overloop belandde. Met gelukkig nét te weinig momentum om ook nog van de trap naar de begane grond te rollen. Mijn eerste mogelijke doodsoorzaak was dus: “van de trap gegooid door moeder”.
Dit verschrikkelijke incident eenmaal overleefd, was de fascinatie met de dood natuurlijk goed in gang gezet. Een jaar later - inmiddels 3 jaar oud en nog altijd een fervent middagdutter - zocht ik nogmaals de grenzen van het bestaan op, door vlak voor het middagslaapje nog een pepermuntje te eten. Mijn moeder had mij natuurlijk altijd gewaarschuwd voor dat soort zaken: je kon er wel eens in stikken tijdens het slapen. Ik wilde wel eens weten of dat echt zo zou zijn. Nou, en zoals jullie allemaal weten is dat toch nog goed gegaan. Mogelijke doodsoorzaak nummer 2 was dus: “gestikt in pepermuntje”.
Een gevoel van onsterfelijkheid had zich bij het ontwaken natuurlijk meester van mij gemaakt, waardoor ik bij een volgende levensbedreigende situatie absoluut niet bang meer hoefde te zijn. Ons huis stond aan een drukke weg, waar veel auto's op doorreis naar het pittoreske dorpje Bredevoort langs kwamen rijden, en hoewel Bredevoort toch ook weer niet zo'n razend interessant dorp is, reed men er toch nogal hard naartoe. Op een goede morgen zou ik met mijn moeder een stukje wandelen in het bos aan de overkant van die drukke weg en omdat zij mij altijd had gekend als een bijzonder bewust mannetje, dat zich niet in gevaarlijke situaties zou begeven, hield ze mij niet zoals de meeste moeders angstvallig vast aan de kant van de weg. In plaats daarvan keek zij alvast goed naar links en naar rechts en nogmaals naar links (hoewel ik de aanduidingen voor links en rechts toen nog niet kende), maar nog voordat ze had besloten dat het veilig was en mij een hand wilde geven om me naar de overkant te geleiden, was ik al naar de andere kant gerend. Triomfantelijk stond ik daar naar haar te stralen: ik had het weer gered! Potentiële doodsoorzaak nummer 3 is daarmee: “overreden door vrachtauto onder toeziend oog van moeder”.
Een paar jaar later toen we naar Kampen waren verhuisd, overviel plotseling een schijnbaar vrij ernstige ziekte mij, gepaard met een eindeloze vermoeidheid en koorts. Wekenlang hield dit aan. Bloedprikken in het ziekenhuis leverde de conclusie op dat er inderdaad iets niet goed was (wat precies weet ik eigenlijk niet meer). Een behandelingsplan werd nog opgesteld. Inmiddels had ik echter het idee dat ik naast een zekere onaantastbaarheid in gevaarlijke situaties ook mijzelf wel beter zou kunnen maken. Al in de tweede week van mijn ziek zijn had ik alle LP's van mijn moeder gedraaid en wist ik precies welke liedjes ik mooi vond. Een bepaalde combinatie van liedjes, op een bepaalde volgorde afgespeeld, gaf mij het tijdelijke gevoel dat ik niet langer ziek was: eerst het liedje over de koningskinderen van Miel Cools, dan een instrumentaal liedje van Herman van Veen, dan “Kom je strakjes bij me spelen?” van Kinderen voor Kinderen en ten slotte de “Alfabetmars” van Bert er Ernie. Mijn eigen behandelplan hield dus in dat ik de hele dag deze liedjes zou draaien en dat ik op die manier mezelf beter kon maken. En warempel, bij een nieuwe controle in het ziekenhuis een week later, bleek dat er niks meer mis was met mij. Het behandelingsplan van de arts kon in de prullenbak.
Omdat ik inmiddels al op vele manieren mijn levensduur kunstmatig had weten op te rekken, was het voor mij nu wel duidelijk dat ik niet keer op keer zoveel geluk zou kunnen hebben. De kans op een fatale afloop van om het even welk incident werd elke dag groter. De volgende jaren ben ik daarom steeds voorzichtiger geworden en heb ik elke potentieel onveilige situatie vermeden, om Magere Hein vooral geen kans te geven. Vanaf dat moment heb ik altijd het idee gehad dat ik wel vroeg zou sterven: gezien de vele risicovolle situaties uit mijn vroege levensjaren had ik immers al lang niet meer mogen bestaan.

« Vorige

Volgende »