Ik wou dat het zomer was
30 juni 2009, 23:44
Ik wil schreeuwen naar de maan, alle speculaas opeten die er bestaat, zingen over God, ook al geloof ik niet in hem. Ik wil elke avond twee uur fietsen, dan zoenen met een mooie vrouw in een witte jurk, tot mijn adem op is en ik sterf in haar armen. Ik wil een boek schrijven en tot drie uur ’s nachts opblijven. Madeliefjes plukken en ze bezorgen bij vrienden. Mijn oma opbellen en een uur lang zwijgen omdat het allemaal niet gemakkelijk is. Ik wil aardbeien plukken, ze wassen en in de yoghurt doen, en er dan alleen naar kijken, want ik heb nu geen honger meer. Ik wil de stomste boeken in mijn kast nog één keer lezen en ze daarna direct verbranden. Al mijn cd’s achter elkaar beluisteren, hallucineren zonder drugs. En een nieuwe naam bedenken voor mezelf.
Dan wil ik nog graag huilen om die meneer met Alzheimer die vertelt dat wat er soms gebeurt, dat dat hele episodes zijn uit... en dan niks. Ik geef een kus op zijn voorhoofd en zeg dat hij niet meer hoeft te denken.
Ik neem hem en zijn vrouw mee, we rijden langs de heide, eten pannenkoeken onderweg. Ik laat ze achter op een hoge heuvel, waar ze op een bankje wachten tot de zon ondergaat. “Jij bent nog jong,” zegt de vrouw en ik weet dat het zo is en spring in een boom, waar de zon nogmaals ondergaat omdat de planeet zo klein is.
Ik wil dan voorlezen, eindeloos voorlezen, en kijken naar schildpadden die voorbij hobbelen op het strand. Ze hebben hun eitjes gelegd, en weldra komen daar kleine schildpadjes uit.
En dan wil ik water drinken, tot ik nooit meer dorst heb en een koud blikje cola langs mijn wangen rollen. Als ik het blikje open doe, veranderen de bubbeltjes in sterren. Orion neemt zijn vaste plaats in aan de zwarte hemel en ik dans met hem in spiegelbeeld. Hij leert me sierlijk bewegen en terwijl ik niet vergeet diep adem te halen, komen stapels oud verdriet in mij los. Ik wil dan schreeuwen om een verrassingsei met een stom cadeautje erin en smeek papa om mij uit de wasmand te halen; ik kan er niet in slapen en heb bovendien mijn sokken nog aan. Ik vraag hem om voor mij te zingen, maar hij kan het niet.
In de stad wil ik de mensen uitschelden. En de volgende woest rijdende taxichauffeur sleur ik uit zijn auto en timmer ik helemaal in mekaar. Ik wijs hem op de dode eenden die onder zijn auto zijn blijven plakken. De wegafzetting rijd ik met mijn fiets omver. Het is me onduidelijk waar de Oude Mereveldseweg begint, en als die niet bereikbaar is (vanaf nummer 45 althans) dan kan me dat echt niks schelen. Ik wil erheen en ik ga erheen.
Ik wil dat niets me meer kan schelen, dat ik alles even goed vind. Dat ik nergens iets aan kan doen en dat ik voorbijglijd zonder te blijven hangen aan prikkeldraad, klittenband of stikselgaren. Dat ik moe ben en niet langer zeker weet of er nog wel een volgende dag is, maar dat het niet uitmaakt, want dat deze dag heerlijk was, en de moeite waard.
Ik wil ten slotte nog dat ik alles ontzettend belangrijk vind, dat niks aan mijn aandacht ontglipt en nadat ik alles heb gezien, dat ik dan ook alles begrijp. Dat ik de schepper recht in de ogen kan kijken en dat hij tussen een paar blikken van verstandhouding door de hele geschiedenis van alles en iedereen samenvat in twee of drie woorden.
Dat ik dan niks meer hoef, en alles mag. Dat het onduidelijk is wanneer de dag eindigt, wanneer een vriend een echte vriend is, of gewoon zomaar een vriend. Dat het niet erg is om te praten over wat je dwars zit, waar je bang voor bent. Dat iedereen toegeeft dat ie het ook niet weet. Ik wil dat iedereen zegt: ik snap er niks van. En: ik doe maar wat, keer op keer.
En ik wou dat het zomer was.