Kutsupermarkt
8 december 2007, 20:08
Op één van die druilerige dagen van deze maand stond ik weer eens gezellig mijn boodschapjes te doen bij onze plaatselijke supermarkt. Voor mij in de rij nog vijf mensen met karretjes tot de rand toe gevuld met verzadigde vetten, geraffineerde suikers en andere buikomvang bevorderende artikelen. Sommige van deze boodschappers hadden ook hun kinderen meegebracht, waarbij aan de vetrandjes om hun kinnen goed te zien was dat een aanzienlijk deel van de door vader of moeder (ouders zie je zelfden samen boodschappen doen) gekochte artikelen voor hen bestemd was.
Achter mij in de rij inmiddels een nog veel groter aantal klanten die schuifelend met hun voeten en turend in hun mandje ongeduldig stonden te wachten tot zij eindelijk hun uitgekozen producten mochten afrekenen. Het personeel van de supermarkt gaat dan ook met dit zogenaamde afrekenen om alsof het een eer is om het te mogen doen: er moet lang voor worden gewacht en dik voor worden betaald. En je moet ook nog vriendelijk doen tegen het personeel, alsof het een gunst van ze is dat je bij hen in de rij hebt mogen staan.
Jammer genoeg wezen alle symptomen van de situatie op de aanwezigheid van een zogenaamde prutscaissière. Ten eerste betrof het een jongen (“cassier”?). Jongens zijn niet goed in het beroep van caissière. Ze hebben er niet het hoofd voor: ze hebben geen overzicht over de situatie en als er iets mis gaat (product niet goed gewogen, PLU code niet geaccepteerd), kunnen ze daar niet overheen stappen maar willen ze het tot op de bodem uitgezocht hebben. Vrouwen achter de kassa zijn in dit soort situaties een stuk handiger. Zij roepen met een alle stress van het moment verhullende stem via de intercom hun chef op, die - wanneer hij eenmaal is gearriveerd - tevergeefs de moeite blijkt te hebben genomen, omdat de slimme jongedame het probleem in de tussentijd zelf al heeft kunnen oplossen. Tevens is zij ook altijd uitermate vriendelijk naar het publiek dat alles vanuit de rij op een afstandje korzelig met elkaar bespreekt, zodat na een klein grapje van haar kant het humeur in de wachtrij als snel weer terugkeert naar een acceptabel peil.
Helaas hadden wij vandaag dus te maken met een jongen achter de kassa. Echter niet zo maar een jongen, nee, het was iemand die uitgerekend op de bewuste dag voor het eerst moest werken. Hij had natuurlijk een training gehad, maar alles ging alsnog mis. De code van de broccoli werd niet opgepikt, hij hield zijn arm op de weegplaat zodat er een te groot bedrag moest worden betaald, er werden twee pizza’s aangeslagen in plaats van één, het pinnen moest bij elke klant opnieuw en wanneer de jongen bij zijn collega’s om hulp moest vragen, lukte dat niet per telefoon (want die was stuk!), maar moest er iemand “met de mond” geroepen worden. De mensen in de rij werden hierbij frequent ingeschakeld als doorgever van het hulpsignaal. Hoewel men zou verwachten dat dit enige verbroedering teweeg zou brengen - we zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje en zagen er de lol zogenaamd wel van in - werd de situatie helaas alleen maar vervelender door al die akkefietjes bij elkaar. Toen iedereen weer met half hangend hoofd en een hevige frons naar de tegels ging staren om met behulp van zijn eigen gedachten de tijd maar zo snel mogelijk voorbij te laten gaan, hoorde ik vanuit het einde van de rij enig rumoer. Wat in eerste instantie binnensmonds gemompel was, werd na enige concentratie mijnerzijds herkenbaar als een verzameling redelijk samenhangende zinnen. De man sprak - en hier volgt een letterlijk citaat: “Godverdomme, kutwinkel! Moet ik godverdomme weer in de rij staan wachten. Op welk tijdstip je ook komt, altijd moet je wachten hier!” En naar onze gewaarde cassier riep hij: “Sukkel!”
Het meest fascinerende van de hele situatie was dat niemand er eigenlijk van opkeek. Men ging gewoon door met het in stand houden van de pose die men een kwartier geleden had aangenomen. Wellicht dat de mensen de man beoordeelden als een gevaarlijke gek. “Reageer maar niet, straks bezorgt hij me nog een blauw oog,” werd er driftig gedacht. Maar dat verklaart niet waarom toch langzamerhand de sfeer in de rij voelbaar beter werd. Deze man had nu eens precies gezegd wat iedereen stiekem al die tijd al had gedacht. Wat heerlijk bevrijdend eigenlijk! Fascinerend genoeg bracht de meer optimistische stemming ook een zeker schuldgevoel in mij teweeg: was ik ook zo iemand die zulke dingen alleen maar in zichzelf dacht en nooit hardop zei? Wat zal ik het dan toch moeilijk hebben met al die opgekropte boosheid in mij!
Onderweg naar huis maakte ik op de fiets toevallig genoeg nog een mooi voorbeeld mee van iemand die ook zijn woede niet bedwong maar deze zonder schaamte rustig durfde te botvieren op de bron van het kwaad, in dit geval mijzelf. Al dromend over tegen wie ik allemaal eens flink zou uitvallen in de komende week, fietste ik namelijk op een kruispunt af, die op datzelfde moment werd genaderd door een fietser die van rechts kwam en dus vanzelfsprekend voorrang had. Volledig in gedachten verzonken fietste ik stug door, maar de man ook en dus kwam het bijna tot een botsing. De half kale en tevens grijzende man moest keihard op de rem, wat gepaard ging met het nodige gepiep en geknars. Nog altijd niet helemaal terug op aarde zei ik nog gauw - maar met vlakke stem: “Pardon.” Niettemin was de woede van de kale man dusdanig groot dat hij mij, terwijl wij beiden ons pad vervolgden, nog hartelijk en welgemeend nariep: “Klootzak! Eikel! Aso!”
Daar was ik nu echt eens aan toe. Ik denk dat ik vanaf nu een stuk beter met mijn emoties om zal kunnen gaan, met deze twee heerlijke mannen als lichtend voorbeeld.