Waarom iedereen mij naroept op straat
20 juli 2008, 23:24
Een interessant fenomeen heeft de afgelopen week plotseling en vrij nadrukkelijk zijn intrede gedaan in mijn leven. In voorgaande jaren kwam het nog slechts sporadisch voor. En tot de afgelopen week had ik het nog niet opgemerkt als een structureel aanwezig element in het verkeer. Maar nu het zo vaak is gebeurd, en het me toch elke keer weer aangrijpt, leek het me een goed idee om het verschijnsel eens onder de loep te nemen. Ik hoor door erover te schrijven tot de de diepere kern van de zaak te kunnen doordringen.
Het betreft zoals u wellicht had geraden, of anders toch wellicht had kunnen zien aankomen, het nageroepen worden door andere mensen, wanneer je voorbij fietst. U bent natuurlijk zeer wel bekend met dit verschijnsel, maar voor mij was het toch echt een nieuwigheid.
Het is mij deze week in totaal maarliefst 8 keer overkomen. De eerste keer waren het twee blonde meisjes van 16, die ik inhaalde op mijn sportieve fiets. Eentje hoorde ik tegen de andere zeggen: “Moet je kijken hoe die vent op z’n zadel zit!” en de ander riep naar mij “Lekker kontje hoor!” De tweede keer had ik een oranje sjaal om en riepen bouwvakkers langs de kant van de weg: “Oranje boven, oranje boven!” De derde keer betrof het een oude man, reeds in een vergevorderd stadium van kaalheid, die mij toeriep: “Kale!” Twee corpsballen die mij als tegenliggers passeerden, stootten elkander aan en deelden mij mede: “Wat een yuppenfiets man…” De vijfde gelegenheid bestond voornamelijk uit hardop lachen van twee dames van rond de 50, die zich kennelijk bescheurden om het totaalpakket van alle al eerder door andere mensen tot spot verheven zaken, namelijk mijn rare kont, mijn lelijke sjaal, mijn te dure fiets en mijn uitermate kale hoofd. Niettemin voelde hun lachen als naroepen! De zesde gelegenheid was toen ik, nadat ik netjes op het groene licht had gewacht, op mijn fiets stapte en vanuit mijn linker ooghoek een fietser zag aankomen, die zelf duidelijk door het rode licht gefietst was. Omdat ik mijn fietstempo niet inhield en hij daarom moest remmen, riep hij mij na “Klootzak!” De zevende gelegenheid was in Houten, toen ik door het donkere park aldaar fietste met mijn felle lamp aan (veiligheid voor alles!). Vanuit een duistere groep hangjongeren klonk een brutale meisjesstem, die het uitermate flauwe commentaar gaf op de grote bundel licht uit mijn fietslamp: “Oh, is het nu al weer dag?” En de laatste keer was bij een kruispunt toen ik in mijn enthousiasme over het na vijf minuten pas op groen gesprongen stoplicht keihard wegstoof. Een snotneus uit pakweg de tweede klas had al die tijd naast mij staan wachten en riep mij na: “Kan het nog sneller?”
Ik neem aan en mag toch hopen dat de lezer dit alles met grote verbazing heeft gelezen en inmiddels met stomheid geslagen is. De schrijver idem dito. Want zo op een rijtje gezet, is het toch best schokkend allemaal.
De vraag is nu: waarom? Natuurlijk, mijn uiterlijke verschijningsvorm is lachwekkend en roept bij zelfs de meest sociaal afgezonderde mens de neiging op om commentaar te leveren. Maar waarom moet dit commentaar nu ook nog naar mij toe geschreeuwd worden? Soms gilt men het uit, alsof het een zaak van leven en dood is. Waarom zou men de ongetwijfeld uiterst komische opmerkingen niet uitspreken in meer besloten kring, tegen degene met wie men zich op dat moment sociaal verhoudt, of bewaren voor een andere context, bijvoorbeeld een samenzijn met vrienden later op de dag.
Na lang nadenken over deze kwestie (veelal tijdens het fietsen!), ben ik uitgekomen op een voorlopige verklaring, die tweeledig is. Ten eerste geniet men duidelijk van de onbegrijpende, onnozele of gekwetste blik die ik - uiteraard onbewust, want met stomheid geslagen - terugwerp nadat iemand weer eens zijn verbale commentaar naar mij toe heeft geworpen.
Maar dit plezier in andermans ellende, dat van alle tijden is, kan op zichzelf geen voldoende oorzaak zijn voor het merkwaardige, steeds vaker voorkomende fenomeen. Een andere verklaring is nodig en ik denk dat het deze moet zijn: deze tijd is een tijd van sociale onzekerheid. De 21e eeuw is een tijdperk waarin iedereen door iedereen wordt beoordeeld op zijn uiterlijk. Denk bijvoorbeeld aan de vleeskeuringen op Veronica (jongens en meisjes die worden weggestemd op grond van hun uiterlijk), de sociale verschillen die voortkomen uit het eigenaar zijn van een iPod, dan wel van een eenvoudige mp3-speler, het aantal vrienden dat men op Hyves heeft en of men daar dan ook foto’s van “vette party’s” op heeft staan, of alleen foto’s van familieleden en eventueel een huisdier. Dit voortdurend elkaar in de gaten houden, controleren en beoordelen op grond van de “normen” die gelden met betrekking tot al die uiterlijke zaken, precies dát recente fenomeen heeft als gevolg dat mensen openlijk elkaar naroepen en luidkeels commentaar geven op elkaars uiterlijke verschijning.
Deze publieke veroordeling van iemands uiterlijk dient ervoor om de eigen verschijningsvorm tegen die van de ander af te zetten en te concluderen dat men het zelf toch nog best goed doet. Men kan op deze manier omgaan met de onzekerheid die het voortdurende gevoel van gecontroleerd worden met zich meebrengt. Zelf afgeven op een ander, maakt jou namelijk tijdelijk immuun voor het commentaar van anderen. Je voelt je er weer even goed door.
Om dit patroon te doorbreken - het patroon van commentaar leveren om daardoor zelf even niet becommentarieerd te kunnen worden - weet ik nu precies wat ik voortaan moet doen als een dergelijke situatie zoals ik die hierboven heb beschreven zich weer eens voordoet: ik ga gewoon lekker terugschreeuwen! Over het stomme jurkje van het 16-jarige meisje, over het vieze plakkerige kapsel van de corpsbal, de verlepte tieten van de twee vrouwen, het smerige bevlekte jasje van de oude man en natuurlijk ook over de onder haar shirtje uitpuilende buik van het meisje dat mij naroept vanwege mijn zogenaamd “te felle lamp”.
Als iedereen dat nou eens doet, dan is het hopelijk na een tijdje wel afgelopen met dat irritante naroepen en kunnen we er weer gewoon belachelijk uit zien zonder dat iemand er commentaar op levert.