Wie ik nu eigenlijk écht ben...
29 september 2007, 14:02
Kenmerkend voor mensen is dat zij in tegenstelling tot de meeste andere dieren een goed ontwikkeld brein hebben. Dit stelt hen in staat om uiterst complexe zaken te bedenken en hierover te praten met elkaar. Maar natuurlijk spreken mensen niet alleen over serieuze en gewichtige onderwerpen. In tegendeel zelfs: de meeste woorden worden verspild aan onbelangrijke zaken, zoals het weer, de voetbalwedstrijd van gisteravond, het saldo op de bankrekening, de uitverkoop die weer in volle gang is, de straatlantaarn die eindelijk is gerepareerd, en niet te vergeten de post die nog niet is gearriveerd of de zomer die nog altijd op zich laat wachten. Teleurstellend als je het mij vraagt, voor zulke intelligente wezens als mensen. Hoe ver was onze soort inmiddels niet ontwikkeld als wij ons over belangrijker zaken hadden uitgelaten?
Er zijn dus de slimme mensen, die hun hersencapaciteit gebruiken om na te denken over uiterst ingewikkelde zaken en die hierover in kleine kring met elkaar communiceren, en er zijn de domme mensen, die hun hersenen praktisch niet benutten en voortdurend allerlei onbelangrijke zaken aan jan en alleman mededelen. Het waardeoordeel dat hierin besloten ligt, moet natuurlijk genuanceerd worden -als men althans rekening houdt met de reputatie van de auteur op het terrein van “spreken over onbelangrijke zaken”. Er is absoluut niks tegen het gezellig kletsen met een paar vrienden over van alles en nog wat - welk onderwerp zich dan ook maar aandient.
Het probleem met dit in het wilde weg praten is echter dat je niets tot nauwelijks iets te weten komt over degene met wie je aan het praten bent. Mensen praten voortdurend over hun omgeving, hun eigendommen, de mensen die zij kennen, het werk dat zij doen. Er wordt gepraat over televisieprogramma’s, over de laatste aankoop, over politieke ontwikkelingen, welk behang is uitgezocht voor de babykamer, enzovoorts. Maar nadat je al deze feiten hebt aangehoord, weet je eigenlijk nog niets over de persoon in kwestie. Je kent iemand niet als je alleen weet wat hij doet. Vraag mij bijvoorbeeld wie ik ben, en ik zeg: ik studeer filosofie, heb een eigen internetbedrijfje, woon in Utrecht, zing en speel viool, etc. Wat zegt dit soort informatie nu over mijn persoonlijkheid? Voor iedereen die al deze feiten al over mij weet, volgt daarom nu een geheel nieuwe introductie, waarin duidelijk wordt wie ik nu écht ben.
Hallo! Ik ben Matthias.
Brood bewaar ik in de koelkast. Ik maak het klaar in de magnetron met een plakje kaas, dat door de hitte helemaal verdwijnt in de textuur van de boterham.
In de supermarkt kies ik de rij met de vriendelijkste caissière. Wachten in de rij is al niet het leukste wat je kunt doen, maar een lange wachttijd die beloond wordt met een chagrijnige caissière is nog minder.
Als ik flessen naar de flessenautomaat moet brengen, neem ik ze altijd mee in mijn rugzak. Alleen herinner ik me dat pas bij de kassa, zodat de boodschappen niet meer in mijn volle rugzak passen.
Kaarsen brand ik niet voor de gezelligheid, maar omdat ze op moeten.
Als ik écht iets stoms doe en niet nadenk over wat ik voor krachtterm zal gaan gebruiken, zeg ik “kut”.
Ik maak elke dag een lijstje met dingen die ik wil of moet doen. Wat ik niet heb gedaan, gaat mee naar de volgende dag en het verdwijnt pas van het lijstje als het echt gedaan is. Bij voorbeeld “flossen”.
Als ik in bed lig, en de deurbel gaat, ren ik niet halsoverkop naar buiten.
Als ik geen zin heb om een mail te schrijven waar ik tegenop zie, dan ga ik eerst honderd andere dingen doen. Op die manier gaat mijn tijd hier op aarde bijna geheel op aan uitstelgedrag.
Als ik geen zin heb om te bellen, neem ik niet op.
Ik vind het niet altijd leuk om in gezelschap van vrienden of familie andere bekenden tegen te komen. Ik doe soms zelfs alsof ik ze niet heb herkend en probeer op deze manier een oppervlakkig onzingesprek in de nabijheid van mijn huidige gezelschap te voorkomen.
Na het tandenpoetsen ’s avonds spuug ik de tandpasta pas na een kwartier uit, omdat ik in de tussentijd werd geboeid door iets in mijn kamer en nog even geen zin had om terug naar de badkamer te lopen.
Soms wacht ik heel lang tot een televisieprogramma eindelijk begint. En als het dan begint, ben ik zo moe dat ik maar besluit om te gaan slapen.
Voor het slapen gaan sluit ik alle deuren en kastdeurtjes die nog open staan. Anders kan ik niet slapen.
Als mijn opklaptafel niet is uitgeklapt, ga ik ook niet studeren. De enige juiste oplossing is (natuurlijk) om de tafel gewoon uitgeklapt te laten staan.
Hoewel ik van tevoren weet dat ik bepaalde studieboeken na een cursus nooit meer in zal kijken - en dat dan ook nooit doe - koop ik ze toch altijd nieuw.
Ik vergeet nooit iets, maar doe altijd alsof. Moeilijke namen van films, acteurs, plaatsen en schrijvers ken ik allemaal, maar als het er op aan komt, stuntel ik maar een beetje. Wat betreft spreekwoorden en gezegden: idem dito… Ik ken ze allemaal, maar haal ze voor de grap door elkaar.
In de eenzaamheid van het thuiswerken kan ik soms moeilijk omgaan met chagrijnigheid die zich onherroepelijk manifesteert. Het gaat eigenlijk pas weg, als ik weer in gezelschap ben (daarom zorg ik dat ik elke avond wel wat heb te doen) of als ik iets bijzonder succesvols heb gedaan op de computer.
Mijn oma vroeg zich ooit hardop af of het wel goed zou komen met mij, toen ik net begonnen was aan mijn studie filosofie. Niemand zou een dergelijke vraag serieus hebben genomen, maar sinds die dag is alles wat ik doe bedoeld om te laten zien dat het wel degelijk goed zal komen met mij!